Uit historische bronnen kennen we de geschiedenis van dit imposante complex. Jan IV van Cortenbach, die schepen was en meermaals tot burgemeester werd gekozen, liet het stadspaleis rond 1520-1530 bouwen achter het huis van zijn vader aan de Korenmarkt, vermoedelijk naar een ontwerp van de bekende bouwmeester Rombout II Keldermans. Na Jans’ overlijden kende het hof verschillende eigenaars en functies. Vanaf de 19de eeuw deed het dienst als herberg en in de 20ste eeuw werd het een ijzermagazijn. Een deel van de tuin werd verkaveld om er arbeiderswoningen te bouwen en wat nog overbleef aan open ruimte tussen het hof en de huizen langs de Korenmarkt en Onze-Lieve-Vrouwestraat werd volgebouwd met magazijnen en overkapt.

Vooronderzoek

Onder de overkapping werden in 2015 door studiebureau ARCHEBO twee proefputten gegraven om het archeologisch potentieel in kaart te brengen. Dat gebeurde naar aanleiding van een herwaarderingsproject voor het bouwblok, meer bepaald de vervanging van een aantal panden in de Onze-Lieve-Vrouwestraat door een nieuwbouw met ondergrondse parking en de inrichting van het binnengebied tussen deze nieuwbouw en het gerestaureerde hof. Tijdens dit onderzoek werden interessante sporen gevonden van postmiddeleeuwse bebouwing en aan de hand van deze resultaten werd een plan van aanpak opgesteld voor een archeologische opgraving.

Opgraving

Archeologen van BAAC Vlaanderen aan het werk met op de achtergrond het gerestaureerde hof (© Stad Mechelen)

De opgraving werd in 2018 uitgevoerd door studiebureau BAAC Vlaanderen. Het onderzoek werd wetenschappelijk begeleid door de stedelijke dienst Archeologie, die bovendien alle historische informatie aanleverde. Inmiddels waren de huizen aan de Onze-Lieve-Vrouwestraat afgebroken en was in het binnengebied opnieuw wat open ruimte gecreëerd. Hoewel de verzamelde gegevens nog verder moeten worden bekeken, zijn de eerste resultaten alvast behoorlijk spectaculair te noemen.

De oudste vondsten dateren van voor de middeleeuwen en bevonden zich onder een vermoedelijk volmiddeleeuwse cultuurlaag: een aantal paalsporen en een stuk van een greppel waarin wat stukjes handgevormd aardewerk werden aangetroffen, vermoedelijk uit de voor-Romeinse tijd.

Late middeleeuwen

Boven de oudere cultuurlaag werden in de late middeleeuwen verschillende ophogingspakketten aangebracht. Uit deze periode dateren ook een aantal paalkuilen en opeenvolgende lemen vloeren, restanten van de eerste houten huizen die langs de Onze-Lieve-Vrouwestraat stonden. Van deze huizen werden ook de haardplaatsen gevonden, die centraal in de kamers waren aangelegd in plaats van tegen de brandgevaarlijke vakwerkmuren.

Mestkuil met rijke vulling (© BAAC Vlaanderen)Pas vanaf de 14de eeuw zien we dat de huizen in baksteen worden opgetrokken en verschijnen de eerste wandhaarden. Op de achtererven kwamen verschillende ontginnings- en mestkuilen, waterputten en beerbakken aan het licht. De beerbakken en mestkuilen bleken een schat aan materiaal te bevatten, waaronder diverse soorten aardewerk, glas, dierlijk bot, textiel en metaal. Mogelijk houdt een deel van dat materiaal verband met de vele herbergen zich die volgens historisch onderzoek toentertijd in de Onze-Lieve-Vrouwestraat bevonden. In een profiel langs het Cortenbachstraatje werden de restanten van een oventje opgetekend. Richting Ziekeliedenstraat werden enkele tonwaterputten onderzocht die gevuld bleken met verbrand materiaal. De vulling houdt wellicht verband met de grote stadsbrand van 1342.

Natuurstenen pilaar in een van de kelders (© BAAC Vlaanderen)Nieuwe tijd

In de 16de eeuw, de periode van het Hof van Cortenbach, stonden er langs de Onze-Lieve-Vrouwestraat vier panden die elk een kelder hadden van ongeveer zes meter breed en negen meter diep. Het hoekpand aan het Cortenbachstraatje was opgedeeld in twee huizen. In de kelders werden onder meer de resten gevonden van verschillende vloerniveaus en van de pilaren en kraagstenen die de gewelven ondersteunden. Ook van deze huizen werden op de achtererven de bijhorende kuilen, water- en beerputten gevonden, waaronder een die heel veel soorten 16de-eeuws glas bevatte, wat erop wijst dat het om een vrij welgesteld huishouden gaat.

 

 

Zogenaamde musketierskruik (© BAAC Vlaanderen)

In de daaropvolgende periode werden de kelders flink verbouwd. Ook werden er nieuwe beerbakken en mestkuilen aangelegd. En weer viel er eentje op vanwege zijn rijke vulling: grote versierde steengoedkruiken, papkommetjes in majolica, glas met een verguld randje, … Verder werden ook verschillende sporen aangetroffen die verband houden met het 17de-eeuwse giethuis van de familie Cauthals: afvalkuilen met brokken verbrande leem (wellicht van ovenconstructies), houtskool en brokjes en brokken brons- of koperslakken. De Mechelse familie Cauthals is bekend om haar productie van onder meer beelden, vijzels, klokken en zelfs kanonnen. Een oventje bleek nog resten te bevatten van het brons of koper dat men erin gesmolten had.


Onderzoek van een smeltoventje (© BAAC Vlaanderen) Tenslotte vermelden we nog de vondst van de bodemplaat van een tonwaterput waarop een uitgebreid merkteken te zien is en in het uiterste zuiden van het onderzoeksterrein een beerbak met daarin heel wat grote glas- en aardewerkfragmenten, die vanwege hun bijzondere vorm doen denken aan de onderdelen van een distilleerinstallatie voor de productie van brandewijn of – met wat meer verbeelding – het atelier van een alchemist.